Daensisten in Lebeke en Kerksken

 

De herinnering aan de daensistische strijd - zelfs aan de beginjaren van vóór de Eerste Wereldoorlog - is bij vele mensen in de Denderstreek     nog zeer levendig. Weliswaar zijn alle directe getuigen uit die periode allang gestorven, maar ze hebben hun verhalen doorgegeven aan hun kinderen en kleinkinderen. Die vertellen trots dat op de wijk Lebeke in Outer smid Lambrecht werd geboren en dat advocaat De Backer geboren werd op een kleine boerderij in de Denderhoutemse Lebeke. De daensisten werden er aanvankelijk ‘roelanders’ genoemd, naar hun blad Klokke Roeland dat vanaf 1891 verscheen. Later kregen ze ook de naam van groene democraten en hun vijanden spraken van groene socialisten, volksfoppers en dommekraten. Ook ‘daensist’ was oorspronkelijk een scheldnaam, maar hij werd in de loop der jaren een eretitel.

De wijk Lebeke ligt verdeeld over de gemeenten Denderhoutem (nu deelgemeente van Haaltert), Outer en Nederhasselt. De sociale strijd was er eind 19de eeuw en gedurende de eerste helft van de 20ste eeuw zeer hevig, met plaatselijke voorvechters die ofwel de zijde van Daens of die van Woeste kozen. De weinige liberalen en socialisten die toen op het Vlaamse platteland woonden, kozen bijna allemaal de kant van de daensisten. Niet zozeer uit sympathie voor priester Daens, maar omdat alleen de daensisten een valabele oppositie konden vormen tegen de oppermachtige Katholieke Partij.

Invloedrijk en machtig waren de daensisten in Denderhoutem. En ze lieten dat ook naar buiten uit zien. Elk jaar op de derde zondag van september was het kermis in de Knibberhoek in Lebeke. De daensistische fanfare ‘Groeien en bloeien’ was er telkens bij en manifesteerde in vier cafés luidruchtig haar aanwezigheid. Het eerste café was bij de ‘Groenen’; daarna gingen ze bij Trezeke Mant, Petrus Perdaens en het laatst bij Gust Raes. Daar werd regelmatig meeting gegeven. De spreker kroop dan op een bierton en sprak vol overtuiging het volk toe, over de slechte toestand van de arbeiders en over het juk van de rijken. Als slot zongen alle aanwezigen: "’t Moet beteren, ’t moet beteren / Dat zingen we hier heel vrij. / ’t Moet beteren, ’t zal beteren / Door de Christene Volkspartij". Ook de katholieke fanfare ‘Moed en Volharding’ deed haar ronde op de kermis en de katholieken trachtten de daensisten uit te dagen. Wat hen soms duur te staan kwam.

De grote figuur van de daensisten in Denderhoutem en omgeving was Aloïs De Backer. In zijn jonge jaren was hij goed bevriend met Frans Bayens, een dichterlijke natuur die ze in Lebeke Melsjn noemden. Met z’n tweeën trokken ze vaak naar de Herlinckhoofse bossen: Melsjn om te werken, Aloïs om te studeren. Want De Backer wilde advocaat worden, door zelfstudie. Melsjn is later een van zijn trouwste aanhangers geweest. Aanvankelijk werkte De Backer bij notaris Maes in Denderhoutem. In februari 1890 trouwde hij met diens dochter. Volgens de overlevering, niet helemaal met de goedkeuring van zijn schoonouders.

Toen hij advocaat was en de geleerde man van het dorp, vergat hij zijn mensen niet. Hij nam allerlei maatregelen ten gunste van de arbeiders en spoorde de kleine boeren aan tot samenwerking. Hij stichtte melkerijen en een coöperatieve weverij waar Mien den Baard eerste wever was. De boeren wilde hij nieuwe methodes aanleren en nieuwe teelten zien uitproberen. Op de boerderij van zijn vader gaf hij het voorbeeld. Ze werd opgefleurd met een siertuin. Tegenover de boerderij in de natte weide werd een vijver gemaakt om er vis op te kweken. Op de rest van de grond plantte men fruitbomen, vooral mirabellen, en werden bessen gewonnen. De kinderen uit de buurt konden er gaan plukken voor een cent de kilo. Hij ijverde voor de export van groenten en fruit naar Engeland en droomde ervan dat Vlaanderen de moestuin en de boomgaard van Engeland zou worden.

De grote tegenspeler van Daens in Denderhoutem was pastoor Willem Van de Putte, een autoritair man en broer van de katholieke drukker Clemens Van de Putte uit Aalst die er een concurrent was van drukker Pieter Daens. Volgens kinderen en kleinkinderen van daensisten zou pastoor Van de Putte heel wat initiatieven van De Backer ‘om zeep geholpen’ hebben en hem ‘gereneweerd’ hebben. Hij zou ervoor gezorgd hebben dat De Backer na de dood van zijn schoonvader het notariaat niet kon overnemen. Hij viel hem ook aan vanaf de preekstoel. Een keer is het de vrouw van De Backer te veel geworden. Ze is met haar kinderen uit de kerk gestapt. Maar De Backer die onder de preekstoel zat, reageerde niet.

Toen De Backer in 1900 tot volksvertegenwoordiger werd verkozen, maakten de mensen een ereboog aan de ingang van de ouderlijke boerderij. Ze dansten tot ‘s avonds laat en zongen: "En onzen Bakker is ne man / Die in de Kamer zitten kan / tèrèrè boem tiejee".

Na zijn dood bleven de mensen in hem de wijze leider en vader zien. Op 30 april 1905 onthulden ze een grafmonument op het kerkhof van Denderhoutem. Nog jaren lang zongen ze met de kermis op de Knibberhoek: "Nu ziet hij op ons neder / Van uit een hoger sfeer, / Zo vaderlijk en teder / Zo goedig als weleer / Want groot was zijn verleden / Hij is ons voorgegaan / We volgen zijne schreden / Voor ’t vrije volksbestaan".

De vader van Aloïs De Backer, Fernand, kwam uit de Nederhasseltse Lebeke. Hij overleefde vrouw en zoon en bleef alleen wonen in de lange lage boerderij, die hij voor een deel verhuurde. Op het einde van zijn leven was hij in het klooster van Denderhoutem.

In Kerksken, ten noorden van Denderhoutem, waren het vooral de gebroeders Albien, Jozef en Emiel Callebaut en de jonge Victor Van der Haegen die er de Daensistische Beweging activeerden. Van der Haegen was de plaatselijke medewerker van het weekblad Klokke Roeland. Het was in Kerksken dat in 1895 Frans De Rouck het Lied van de Groene Strik heeft geschreven, dat jarenlang het lijflied bleef van vele daensistische actievoerders. Pastoor Constant Pringels kwam meteen in conflict met de democraten en gedurende meer dan een decennium stonden in Kerksken katholieken en daensisten regelrecht tegenover elkaar.

Dat kwam onder meer tot uiting bij de gemeenteraadsverkiezingen. Door een hervorming van het kiesstelsel mochten vanaf 1895 alle mannen vanaf dertig jaar stemmen. Mannen die gestudeerd hadden, gezinshoofd waren of veel belastingen betaalden kregen een supplementaire stem; maximaal vier stemmen per persoon. Om de vier jaar zouden er verkiezingen zijn voor de helft van de gemeenteraad.

In Kerksken was midden 1895 de katholieke fanfare ‘Vrede en Eendracht’ gesticht. Het was de enige culturele vereniging in het dorp. Maar in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen kwam er al snel ruzie. Frans Coppens, eerste schepen, kreeg het aan de stok met burgemeester Leander Meganck. Coppens kwam op met een scheurlijst en kreeg steun van de daensisten. De twee politieke partijen trachtten daarop de fanfare onder hun kleuren te laten marcheren en toen de daensisten daarin niet slaagden, probeerde Victor Van der Haegen met enkele muzikanten een eigen fanfare te stichten. Maar ook hij slaagde niet in zijn opzet. Er bleef de daensisten geen andere keuze dan in mei 1896 opnieuw aan te sluiten bij de gevestigde maatschappij.

Er waren in 1895 in Kerksken negen zetels te verdelen. De daensisten voerden een intense campagne, maar moesten zich op 17 november tevreden stellen met drie zetels. Die gingen naar Frans Coppens, Philemon Van den Eynde en Louis Roelandt.

De daensisten bleven evenwel niet bij de pakken zitten. Amper een paar weken na de installatie van de nieuwe gemeenteraad, op 2 februari 1896, organiseerden ze een meeting met advocaat De Backer uit hun buurgemeente Denderhoutem. Het blad Klokke Roeland dat de katholieken smalend ‘Vodde Roeland’ noemden - schreef "dat er op die meeting wel tweeduizend man was". Maar de correspondent van de katholieke Denderbode had er maar tweehonderd geteld "en daar moet gij nog de kinderen en de vrouwpersonen afrekenen alsook de toehoorders die daar enkel uit nieuwsgierigheid stonden om de woordenkramerij van de kwakzalver eens te horen".

In 1896 stichtten de daensisten in Kerksken ‘Den Onderlingen Bijstand’. Lokaalhouder was Domien Schouppe op Terlicht. De initiatiefnemers waren advocaat De Backer, Prosper De Pelsmaeker, Camille Meganck, de gebroeders Callebaut en Victor Van der Haegen.

Op 8 februari 1897 brak in de weverij Smits in Kerksken een staking uit. De arbeiders namen het niet dat ze weer geconfronteerd werden met een loonsvermindering en kregen de steun van de daensisten. ’s Anderendaags zakte een groep van honderd tachtig wevers, de meeste lid van de pas opgerichte daensistische vereniging voor Onderlinge Bijstand, af naar Aalst. Daar kreeg ze versterking van de socialisten. Met spandoeken en luid geschreeuw trokken de manifestanten naar het huis van fabrikant Adriaan Smits op de Koolmarkt, die een delegatie ontving, en naar het huis van Pieter Daens die hen toesprak. De staking duurde veertien dagen en werd een mislukking. De werklieden verloren twee weken loon en de leiders werden op straat gezet en gebroodroofd. Het was een zware slag voor de daensistische beweging in Kerksken: een deel van haar aanhang stapte over naar de socialisten en anderen keerden terug naar de katholieke stal.

Om de getroffen en werkloze daensisten te helpen, stichtte de leiding met advocaat De Backer op 5 maart 1897 een Samenwerkende Weverij in Kerksken en in Denderhoutem. Een initiatief dat bij de katholieke en conservatieve fabrikanten niet in goede aarde viel en van hen meteen felle tegenwind kreeg.

De daensisten zetten echter alles op alles om de Samenwerkende Weverijen te doen slagen. Einde mei organiseerden ze een grote steunbetoging voor de werkloze wevers en nodigden diverse gelijkgezinde muziekkorpsen uit de omgeving uit. Eind juli 1897 kwamen priester Daens, advocaat De Backer, smid Lambrecht en Petrus Van Schuylenbergh, de zwaargewichten van de beweging in de streek, de Kerkskenaren warm maken voor het initiatief. In de katholieke pers werd de meeting opnieuw afgeschilderd als een fiasco, maar volgens de daensisten was er een zee van volk! De grootste zaal der steden zou te klein geweest zijn. Priester Daens werd er verwelkomd met bloementuilen en aanspraken".

Er werden voor de weverij twaalf jacquart-weefgetouwen besteld. Vijf ervan werden in Kerksken geplaatst. Toen de coöperatie eind februari 1898 van start ging, kon ze meteen werk geven aan achttien wevers. De verwachtingen waren dan ook hoog gespannen. Maar al snel rezen er moeilijkheden. Van alle kanten werd druk uitgeoefend op leveranciers om geen garen te verkopen aan de nieuwe coöperatie. De prijzen van grondstoffen als katoen en lijnwaad stegen. Om zich staande te houden fuseerden de afdelingen van Kerksken en Denderhoutem. Maar rond de eeuwwisseling stierf de samenwerkende maatschappij een stille dood.

Bij de verkiezing van 15 oktober 1899 moesten vier gemeenteraadsleden vervangen of herkozen worden. De daensisten veroverden drie van de vier zetels. Op 18 oktober 1903 waren vijf plaatsen beschikbaar, die alle naar de katholieken gingen. De katholieke pers jubelde: "Te Kerksken is de Daensistenpartij verpletterd". Maar in oktober 1907 gingen de vier beschikbare zetels naar de daensisten. Die hadden er nu vijf van de negen.

Op 9 maart 1908 overleed burgemeester Leander Meganck en op 16 juni stierf oppositielid Louis Roelandt. Er bleven drie katholieke raadsleden en vier daensisten in de raad. De katholieken hadden de meerderheid in het schepencollege en de Daenspartij had de meerderheid in de gemeenteraad. Van een nieuwe verdeling van de bevoegdheden wilden de katholieken niet weten. Daens interpelleerde de bevoegde minister erover in de Kamer. Maar tevergeefs! Besturen werd nu heel moeilijk. Daarom werd op 20 december 1908 een tussentijdse verkiezing georganiseerd om de twee overledenen te vervangen. Het werd een woelige verkiezingsstrijd. Al vóór de verkiezingsdag gebeurden onregelmatigheden. Er werd geruzied, gelasterd en zelfs geweld gebruikt. Op de dag zelf gingen heetgebakerde katholieken en daensisten met elkaar op de vuist. De veldwachter kon de situatie niet meer meester en de burgemeester moest de hulp inroepen van de rijkswacht. De rellen haalden de nationale pers. Volgens Het Laatste Nieuws liepen de manifestanten gewapend met messen en revolvers. Er vielen gewonden en de rijkswacht moest tot maandag avond present blijven. De katholieken wonnen de twee zetels.

Na 1910 takelde de daensistische beweging in Kerksken verder af. Enkel een kleine kern, onder leiding van Jozef Callebaut bleef de beweging trouw.

Victor Van der Haegen, de dynamische daensistenleider van Kerksken, mocht het nog beleven dat hij op 29 september 1957 als 88-jarige het Priester Daensmomunent in Aalst mee mocht onthullen.

F.V.C.

 

Voornaamste bronmen: Edgard Huylebroek, Denderhoutem. De Sint-Amandusparochie: vroeger en nu, Haaltert, 1985; Laurent Meganck, De Mannen van het houten geloof, Ninove, 1985; Willy De Loose & Joris De Kegel, Kerksken, de wereld in een dorp, Haaltert, 1999; gesprekken met Herman De Gelas, Lebeke-Outer: 23.02.2001 & 07.03.2001.