Denderleeuw,
een halve eeuw een daensistische burcht
Denderleeuw, een grensgemeente van Aalst en een belangrijk spoorwegknooppunt, speelde al snel een grote rol in de Daensistische Beweging. Prosper De Pelsmaeker, een van de stichters van de Christene Volkspartij, was er jarenlang een actief en welsprekend propagandist. Het centrum van de gemeente bleef weliswaar overwegend katholiek, maar de wijken Huissegem en Leeuwbrug ontpopten zich tot strijdvaardige daensistische burchten. Wie zich in het gedachtegoed van de Katholieke Partij niet thuisvoelde, vond er een onderkomen bij de daensisten. Vele arbeiders, die nog niet waren opgeslorpt door het opkomende socialisme. En vele liberalen en liberaal-katholieken, die in de Daensistische Beweging hun antiklerikalisme konden kwijtraken. De samenwerking tussen liberalen en daensisten werd gesymboliseerd door twee ineengestrengelde handen, die op verbroedering wezen. Die handen zijn nu nog te zien op heel wat graven van daensistische strijders in Denderleeuw. ‘Verbroedering’ was ook de naam van het lokaal dat de daensisten in 1912 tot het hunne maakten; een voormalige Delhaize-winkel in de Stationsstraat.
In het huis van Judocus De Bruyn werd de Denderleeuwse afdeling van de Christene Volkspartij gesticht. Naast priester Daens en zijn broer Pieter kwamen er regelmatig prominente christen-democraten over de vloer als Henry Carton de Wiart, Jules Renkin, Prosper De Pelsmaeker, Léonce du Castillon, Hector Plancquaert en Frans Lambrecht en plaatselijke leiders als Désiré Boriau en August De Brabanter.
Hun eerste meeting planden de daensisten in een café in de Langestraat, de huidige Guido Gezellestraat; in die tijd de katholieke straat bij uitstek. Priester Daens zou er spreken. Hij werd met veel lawaai en muziek afgehaald aan het station en naar
de plaats van de meeting gebracht. Maar de katholieken – door de daensisten kattekoppen genoemd – dwongen de herbergier aan de daensisten de toegang tot zijn café te weigeren. Die gingen dan maar meeting houden in de open lucht. Maar ook daar kwamen de katholieken om te storen en tegen te spreken. Een van hen, de kaalhoofdige Octaaf Vaerman, riep: "Hoogvliegers zijt gij!". Waarop advocaat De Backer repliceerde: "Wie van ons vliegt het hoogst? Gij toch, Vaerman, want uw haar is aan de maan blijven plakken". Een goedkoop argument om de lachers op zijn kant te krijgen. En het lukte, want voor de rest van de meeting hield de tegenspreker zich gedeisd.
Daensisten en katholieken hadden in Denderleeuw eigen cafés, een eigen fanfare en toneelkring, een eigen lokaal. In verkiezingstijd ging het er vaak folkloristisch maar tegelijk bloedernstig aan toe. Bier speelde bij de meetings een belangrijke rol. Maar ook humor en spot waren veel gebruikte wapens. De daensisten zongen spotliederen op de katholieken en de katholieken op de daensisten. Vaak op de melodie van bestaande volksliederen, waarvan de tekst voor de gelegenheid werd aangepast. Vrouwen kleedden zich in het groen of droegen minstens een groene sjaal of groene strik; een donkergroen dat algauw als ‘daensgroen’ bestempeld werd.
Om de daensisten te pesten, hebben de katholieken eens een levensgrote pop gemaakt die priester Daens moest voorstellen. In Leeuwbrug stopten ze die met veel fanfaregeschetter en ketelmuziek in de grond onder een hoop mest, terwijl ze zongen: "Ratten, ratten, ratten in de Donsjen hun patatten / en hun haar moet af en hun haar moet af". Een paar dagen later haalden de daensisten de pop met evenveel muziekgeschetter van onder de mest, maakten haar proper en gaven haar een ereplaats.
Een van de hevigste propagandisten vóór en na de Eerste Wereldoorlog was Louis De Bruyn; voor de mensen van Denderleeuw Bruyne Wie, een van de acht kinderen van Judocus De Bruyn. Hij doorkruiste per fiets de hele gemeente, gaf meetings op straathoeken en in cafés, colporteerde met daensistische of daensistisch gezinde bladen als Klokke Roeland, De Werker en De Dender en zong liedjes op het Dorpsplein. Een ervan luidde zo:
In ’t oude testament
de rijke filosofen
deden niets dan beloven
en lachen met d’ellend’
maar ’t volk is spotten moe
weg met die valse jannen
we vragen andere mannen
die ons helpen uit d’ armoe
’t moet beteren, ’t moet beteren
door de Christene Volkspartij.
Een andere kleurrijke figuur in Denderleeuw was priester Frans De Wolf. Hij werd in 1905 naar Denderleeuw gestuurd als onderpastoor om er samen met pastoor Louis De Vos het daensisme te bestrijden. Hij stichtte er een katholieke Jonge Wacht van mannen tussen de achttien en vijfentwintig jaar, die de katholieke meetings moesten beschermen en de daensistische verstoren. In Huissegem en Leeuwbrug vooral moest hij de daensisten terugbrengen tot de officiële Katholieke Partij en ze opnieuw onderwerpen aan het gezag van de pastoor. Maar De Wolf leerde er het progamma en de strijd van de daensisten beter kennen en hij werd zelf een verwoed daensist. Als straf benoemde de bisschop hem in 1919 tot pastoor van Moregem tegen Oudenaarde, een dorpje van amper driehonderd parochianen.
Na de Eerste Wereldoorlog kregen alle mannen en vrouwen vanaf eenentwintig jaar één stem bij de gemeenteraadsverkiezingen. Meteen telde de stem van de eenvoudige arbeider, boer en middenstander mee in de besluitvorming. De daensisten dienden lijsten in om hun kandidaten verkozen te krijgen. En met succes!
Bij de eerste naoorlogse verkiezingen, in april 1921, veroverden ze in Denderleeuw zes van de elf zetels. Ze droegen Désiré Boriau voor als burgemeester. Maar de minister wilde op die post geen daensist benoemen. Toen Boriau anderhalf jaar later onverwacht overleed, leidde dat tot incidenten. Pastoor De Vos weigerde het lijk in de kerk omdat de overledene, naar zijn zeggen, zijn pasen niet had gehouden. De Denderleeuwenaren wisten wel beter. Boriau was daensist. Maar wat de pastoor wellicht nog meer dwars zat, was het feit dat de daensisten in de gemeenteraad de bijdrage van de gemeentekas aan pastoor en onderpastoor, hun zogenaamde nieuwjaar, hadden afgeschaft. Boriau werd daarop burgerlijk begraven. Vele daensisten waren zo verontwaardigd dat ze bij het open graf de eed zwoeren voortaan geen voet meer in de kerk te zetten en ook burgerlijk begraven te willen worden zoals hun ‘burgemeester’.
In 1926 vormden de daensisten een eenheidslijst met de fronters onder de naam Vlaamsche Demokraten en behaalden met zes zetels opnieuw de volstrekte meerderheid in de gemeenteraad. Maar de minister benoemde een burgemeester uit de katholieke minderheid. De gemeente werd zo goed als onbestuurbaar en de incidenten stapelden zich op. De gouverneur moest herhaaldelijk tussenkomen.
De daensistische schrijver en volksvertegenwoordiger Karel-Leopold Van Opdenbosch heeft in zijn roman ‘De Keikoppen van Zevendries’ deze turbulente brok geschiedenis van Denderleeuw uit de jaren 1920 uitvoerig getekend. Weliswaar onder gefingeerde namen, maar de gelijkenissen met Denderleeuw zullen vele tijdgenoten niet ontgaan zijn.
Zoals overal in Vlaanderen raakte ook in Denderleeuw de Daensistische Beweging in de jaren 1920-30 meer en meer verweven met het Vlaams-nationalisme, terwijl de socialisten na de steden ook op het Vlaamse platteland doorbraken. In 1932 behaalden de katholieken in Denderleeuw vijf zetels en de socialisten twee. De Vlaamsche Demokraten hadden er vier. Met de socialisten vormden ze een meerderheid in de gemeenteraad, maar de katholiek Leon Rollier bleef
F. V. C.
Voornaamste informatiebronnen:
- De Brug, IV, 1, jan. 1972.
- W. De Metsenaere, Denderleeuw, langs straten en pleinen, 1983.
- ID, Denderleeuw tijdens de XXe eeuw, 1997
- F. Van Campenhout, Lexicon van de Daensistische Beweging, 1993.burgemeester.